Zo-zo-zo beleid

Je zult er ongetwijfeld wel eens van gehoord hebben, van het ‘zo-zo-zo beleid’ of een variant daarop. Welke naam er ook aan gegeven wordt, de strekking is in ieder geval dat de geboden hulp zo snel, zo kort en zo licht mogelijk moet zijn. Ook bij uithuisplaatsing geldt hetzelfde principe en wordt bij voorkeur gekozen voor een pleeggezin als lichtste zorgvorm bij uithuisplaatsing.

De algemene gedachte achter het zo-zo-zo beleid is dat het beter is voor het kind en het gezin en vooral ook goedkoper. Maar is dit eigenlijk wel zo?

Goedkoop is duurkoop

Uit heel recent onderzoek naar uithuisgeplaatste kinderen blijkt in ieder geval dat we in de jeugdzorg dit beleid goed in de vingers hebben. Voor de groep kinderen waarbij met ambulante hulp de problematische opvoedingssituatie onvoldoende verbetert, wordt flink gestapeld met tijdelijke uithuisplaatsingen, terugplaatsingen, nog meer ambulante hulp of daghulp en -als het dan echt niet anders kan- een plaatsing in een intensieve behandelsetting.

Nu hoef je geen econoom te zijn om aan te voelen dat dit zeker niet goedkoper is, en zelfs een econoom voelt aan dat dit zeker niet beter is voor deze kinderen. Maar hoe moet het dan wel?

K-k-k-beleid

Volgens mij is het sleutelwoord ‘maatwerk’. Er is een goede match nodig tussen de problematiek van het kind en het gezin enerzijds en de benodigde hulp anderzijds. Ook als dit betekent dat gestart moet worden met een kortdurende “dure” plaatsing in een intensieve behandelsetting, om daarna af te bouwen naar lichtere hulp. Zo doorbreken we de keten van (over)plaatsingen, toenemende psychosociale problemen bij kinderen en overbelasting van ouders en pleegouders.

Wat dat betreft is het ‘k-k-k beleid’ van Horizon zo gek nog niet. Kort, kordaat en krachtig optreden om een sneeuwbaleffect te voorkomen.

Wet van meten en persen

Nu hoor ik je denken: wacht even, dat is tegen de transitiegedachte, dat kan echt niet. Maar als je de doelstellingen van de nieuwe Jeugdwet goed leest, zie je dat het geen wet van ‘meten en persen’ is. De wet staat niet alleen voor het terugdringen van uitgaven, maar ook voor ‘(jeugd)hulp op maat’. Ik denk dat juist dit maatwerk uiteindelijk zorgt voor vermindering van de druk op gespecialiseerde zorg.

Aan de slag!

Maar hoe weten we nou wanneer welke hulp toereikend is? Hoe bieden we het best passende zorgtraject?

Laten we de kennis en ervaring van ouders, jeugdigen, praktijkwerkers, beleidsmakers en wetenschappers bundelen. Oftewel onze handen ineen slaan en onze kennis ‘ontschotten’. Dan moet het ons toch lukken om gefundeerde criteria vast te stellen voor wanneer welke hulp het meest effectief en efficiënt is?

Ik zie het wel zitten en maak me er graag hard voor, wie doet er mee!