Mijn hart bonkt wat harder dan anders!

En mijn wangen zijn opvallend rood. Zojuist heb ik me gemeld bij de slagboom en kregen we fiat om op het terrein te komen. Het hoge, grijze gebouw steekt somber af tegen de helderblauwe lucht. Een vogel vliegt door de lucht en landt op een paal. Zijn ogen kijken naar de ramen. Wat zou hij zien? Ziet hij verdriet, ziet hij al het leed? Ziet hij de woede en de angst die er heerst?

Ik voel verdriet in mij opborrelen als ik opkijk naar het grote gebouw en de tientallen ramen in me opneem. Wie zou er achter die ramen zitten en welk verhaal gaat daarachter schuil? Ik klap de kinderwagen uit en klik de maxi cosi erop. Samen met mijn pleegzorgwerker loop ik naar binnen. Nou ja, naar binnen, dat klinkt eenvoudiger dan het is. We staan voor een dichte deur en moeten ons via een speaker melden. Eenmaal binnen in de eerste gang geven we onze paspoorten af en leveren we onze jassen en tassen in. De kilte van het beton om mij heen staart me aan.

Ik kijk in de maxi cosi waar een klein hummeltje totaal geen weet heeft van wat er gaande is. Langzaam draai ik me om om alles goed in mij op te nemen en ons baby meisje later alles te kunnen vertellen over deze eerste ontmoeting met haar vader. Het gebouw waar we zijn is de gevangenis. Een plek waarvan ík vind dat  kinderen er niet horen te komen en met een bezwaard gemoed til ik Faja uit de maxi-cosi. Ik parkeer de wandelwagen naast nog meer wandelwagens en buggy’s, wagentjes waar ook kleine kinderen in horen te zitten. Sommige wagens hebben prachtige zachte dekentjes erin liggen, vrolijke speeltjes bungelen erboven. Ik zie het voor me dat hun handjes er tegenaan slaan en dat het gekleurde spul wiebelt. Ik mis de papa die erachter loopt en lacht, het speeltje nog een duwtje geeft. Ik mis de mama die vertederd naar haar kindje kijkt en blij is dat ze het speeltje goed uitgekozen heeft. Ik zie het voor me dat deze papa’s en mama’s wel wilden, maar niet konden. En ik heb een zwaar gemoed dat ik hier wel in vrijheid mag aankomen; dat bij de invoering van mijn paspoort er niets gevonden wordt waarvoor ik niet naar binnen zou mogen.

Samen gaan we door het poortje: Faja en ik. We stommelen de trap op met voor en achter ons de beveiliging. Op de tweede etage houden we halt. Harde stemmen klinken, de voetstappen zijn hol, de deuren zijn zwaar. Moet ik dit echt doen? Is ook dit mijn taak als pleegmoeder? Ik wil weglopen met dit kleine meisje, ik wil ze het niet aandoen dat ze ooit in een PI is geweest. Ik wil haar het feit besparen dat haar vader zijn straf uitzit en ik wil mijn ogen sluiten voor de wetenschap dat het niet de eerste keer is dat hij hier zit. Dapper slik ik mijn tranen in en snuffel nog even aan Faja’s hoofdje. Die donzige haartjes en dat lekkere babygeurtje troost me. Dan gaat de deur open en mogen we naar binnen. Wat voelt dat onwennig! Wie ben ik dat ik hier zomaar binnen komen met zijn kind? Vlees van zijn vlees, hart van zijn hart? We zijn allebei gespannen, hij en ik. Faja slaapt rustig door en vindt het allemaal wel best. Ingewikkeld in een dekentje leg ik het bundeltje op tafel.

En dan zie ik voor me iets ontstaan: een blije vader met ogen die twinkelen, zijn glimlach wordt met de seconde breder. Een trotse vader! Geen vader die achter de kinderwagen loopt en het speeltje nog eens een zetje geeft. Geen vader die heeft gezorgd voor een lekker warm, zacht dekentje. Geen vader die het veilige nest kon bieden wat Faja nodig heeft. Maar wel een vader die zijn dochter van top tot teen bekijkt, die haar aait en streelt, die vraagt of hij haar vast mag houden en die haar heel teder oppakt en heen en weer wiegt. Langzaam opent Faja haar oogjes en kijkt hem met grote ogen aan, een klein lachje is haar cadeau voor haar papa. Hij kan zijn ogen niet van haar afhouden en kijkt wat er allemaal aan deze kleine meid van hem is. Herkent hij zich in haar oortjes, in haar oogjes, in haar haartjes, in de lengte van haar vingertjes?

Dankbaarheid stroomt door mij heen. Mijn bezwaarde gemoed heeft plaats gemaakt voor pijn met vreugde gemengd. Ik zou het nooit gewild hebben dat Faja en haar papa dit moment gemist zouden hebben. Papa heeft tenslotte ook niet voor het leven gekozen wat hij nu leidt. Wat is er nu mooier om Faja later te kunnen vertellen dat papa niet zelf voor zijn kleine meisje kon zorgen, maar dat hij wel heel trots was toen hij haar voor het eerst zag? Dat papa niet bij de bevalling kon zijn, maar dat hij haar wel tegen zich aan heeft gewiegd toen hij haar voor het eerst ontmoette.

Het kleine benauwde kamertje waar we in zitten, is nog even kil en nog even somber. De bewaking in het kamertje en buiten bij de deur, voelt nog steeds even bedreigend. Maar toch is er ook lucht en ruimte vanwege die stralende ogen. Papa: daar heb je er maar één van, Faja blijft altijd kind van hem. Hoe Faja’s leven ook verder zal lopen, de trots van haar vader bij deze eerste ontmoeting mag ze als een kostbare herinnering met zich meedragen als het moment komt dat ze dit verhaal zal lezen.

Josje